Kan Amerika de wereld nog leiden?
Stephen Kotkin ziet geen onafwendbare Amerikaanse neergang. Hij ziet iets gevaarlijkers: een supermacht die nog altijd uitzonderlijke kaarten bezit, maar zichzelf verzwakt door overbelasting, munitietekorten, slecht bondgenootschapsbeheer en verlies van burgerlijk zelfvertrouwen.
De vraag “Can America still lead the world?” krijgt bij Stephen Kotkin geen nostalgisch antwoord. Hij verdedigt niet het oude idee dat Washington overal tegelijk de politieagent van de wereld moet zijn. Evenmin gelooft hij dat China al klaarstaat om de Verenigde Staten eenvoudig af te lossen. Zijn analyse is spannender: Amerika is nog steeds een economische, technologische, militaire, energetische, migratie- en bondgenootschaps-supermacht, maar het bestuurt die macht alsof de uitzonderlijke periode na 1945 nog altijd bestaat.
Daar ligt het drama van het gesprek met Peter Robinson. Amerika is volgens Kotkin niet “Britain 1945”, uitgeput en klaar om het wereldtoneel te verlaten. Het is eerder een land dat sinds de Tweede Wereldoorlog steeds meer verplichtingen is aangegaan zonder zijn strategie, industriële basis en politieke cultuur voldoende aan te passen. De centrale vraag is daarom niet of Amerika nog macht heeft, maar of het zijn macht opnieuw kan ordenen.
Amerikaanse macht is niet verdwenen
Kotkin begint zijn antwoord op de neergangsthese met een correctie van de geschiedenis. Groot-Brittannië “gaf” zijn positie niet vrijwillig aan Amerika; de Verenigde Staten namen die positie over. Niet door één toespraak of één oorlog, maar omdat zij al rond het einde van de negentiende eeuw een economische schaal hadden bereikt die geen andere macht kon evenaren. Volgens Kotkin is het uitzonderlijke niet dat Amerika nu ongeveer een kwart van de wereldeconomie vertegenwoordigt; uitzonderlijk is dat het dat aandeel al zo lang weet vast te houden.
Daarmee draait hij het bekende declinistische verhaal om. De Verenigde Staten waren na 1945 tijdelijk nog veel dominanter: ongeveer 40 procent van het mondiale GDP en ongeveer de helft van de wereldwijde industriële productie. Maar dat was een anomalie, veroorzaakt door de verwoesting van Europa en Oost-Azië. De Amerikaanse wereldorde was juist bedoeld om anderen weer omhoog te trekken: West-Duitsland, Japan, Europa, later ook delen van Azië. Het succes van die orde moest het Amerikaanse aandeel relatief doen dalen.
Wat ging er mis met Amerika?
Volgens Kotkin ging het mis op drie niveaus tegelijk. Het eerste niveau is strategische overbelasting. In de Koude Oorlog bereidden de Verenigde Staten zich voor op twee grote oorlogen in twee grote theaters tegelijk. Daarna werd dat “bijna tegelijk”, vervolgens anderhalf, en uiteindelijk officieel één grote oorlog in één theater. De verplichtingen bleven echter wereldwijd: Europa, het Midden-Oosten, de Indo-Pacific, energiezekerheid, vrije zeeën, Taiwan, Oekraïne en Israël. De middelen en doctrine werden smaller; de beloftes bleven breed.
Het tweede niveau is industrieel en militair. Kotkin gebruikt de Patriot-raketten als pijnlijk voorbeeld. Een interceptor van miljoenen dollars inzetten tegen een relatief goedkope drone is geen duurzame ruilverhouding. Wie duizenden dure interceptors verbruikt in het Midden-Oosten, heeft minder voorraad voor Taiwan, Japan of andere Indo-Pacific scenario's. De les is niet dat Amerika geen wapens heeft, maar dat het te weinig goedkope, massaal produceerbare, snel aanpasbare wapensystemen bezit voor de oorlogvoering van de eenentwintigste eeuw.
Het derde niveau is politiek-cultureel. Kotkin wijst op een verstoorde publieke sfeer waarin media, algoritmen en politieke prikkels extremiteit, woede en complotdenken belonen. Amerika’s oorspronkelijke kracht lag volgens hem in burgerschap: “we the people”, zelfbestuur, de geleidelijke uitbreiding van rechten en het vermogen zichzelf te vernieuwen. Als dat burgerlijke midden verdwijnt, wordt Amerikaanse macht van binnenuit poreus.
Iran: tactische successen, strategisch probleem
In het gesprek over Iran maakt Kotkin een onderscheid tussen Israëlische en Amerikaanse doelstellingen. Voor Israël was Iran een onmiddellijke existentiële dreiging: nucleaire infrastructuur, ballistische raketten en proxies zoals Hezbollah, Hamas en milities in Syrië, Irak en Jemen. Israëlische en Amerikaanse operaties hebben volgens hem die capaciteiten sterk gedegradeerd. In Israëlische termen is dat “mowing the lawn”: de vijand tijdelijk terugmaaien, tijd kopen en terugkomen als de dreiging opnieuw groeit.
Voor de Verenigde Staten is dat volgens Kotkin onvoldoende. Washington heeft een breder strategisch belang: Iran moet niet alleen tijdelijk minder raketten of minder nucleaire capaciteit hebben, het regime moet ophouden een anti-Amerikaanse en anti-Israëlische revolutionaire macht in de regio te zijn. Daar wringt de schoen. Het regime wil volgens Kotkin geen deal in de zakelijke betekenis van het woord, omdat zijn legitimiteit voor een belangrijk deel rust op strijd tegen de Verenigde Staten en Israël.
De fout is dan denken dat autoritaire, ideologische regimes onderhandelen als vastgoedpartijen. Kotkin benadrukt dat een regime niet alleen een kleine top is, maar ook een maatschappelijke basis: veiligheidsdiensten, paramilitairen, carrièrezoekers, ideologische loyalisten en mensen voor wie repressie sociale mobiliteit biedt. Wie alleen de top decapiteert, heeft nog niet automatisch de regime-samenleving ontmanteld.
China en Taiwan: intenties zijn onduidelijk, capaciteiten niet
Over China weigert Kotkin te doen alsof hij Xi Jinping in het hoofd kan kijken. Eén persoon neemt daar de uiteindelijke beslissing, en buitenstaanders weten niet precies hoe hij risico, tijd en kosten weegt. Maar over de capaciteiten is Kotkin veel minder terughoudend. China moderniseert zijn leger met Taiwan als centrale obsessie. Het wil Taiwan het liefst zonder oorlog: via druk, economische dwang, diplomatieke ruil en psychologische erosie. Maar als Taiwan formeel onafhankelijk zou worden of als Beijing denkt Taiwan definitief kwijt te raken, dan kan geweld reëel worden.
Daarom vindt Kotkin het onverstandig om cruciale munitievoorraden elders te verbruiken zonder snel herstelplan. Taiwan verdedigen begint niet op de dag van een aanval; het begint jaren eerder met voorraden, industriële capaciteit, Japanse langeafstandswapens, bondgenootschappelijke geloofwaardigheid en een arsenaal dat China overtuigt dat de prijs van agressie te hoog is.
Oekraïne als Amerikaanse troef, niet als last
Kotkin blijft voor Oekraïne pleiten voor een wapenstilstand langs de huidige contactlijn, niet omdat Rusland beloond moet worden, maar omdat Oekraïne zijn grotere overwinning moet veiligstellen. Rusland heeft territorium veroverd; Oekraïne heeft zijn soevereiniteit behouden. Voor Kotkin is dat laatste belangrijker. Zijn Zuid-Korea-analogie draait precies daarom: stop het vechten, legaliseer de Russische annexatie niet, bouw het vrije deel van het land op en maak er een welvarende, technologische, Westers geïntegreerde samenleving van.
Wat Kotkin naar eigen zeggen onderschatte, is de mate waarin Oekraïne zijn eigen verliezen kon beperken door drone-innovatie, softwarematige aanpassing en autonome systemen. Daardoor is Oekraïne niet alleen een frontstaat, maar ook een laboratorium voor defensietechnologie. Voor Amerika zou dat een strategische kans moeten zijn: Oekraïne is geen afleiding van de Indo-Pacific, maar een bron van goedkope, schaalbare, moderne oorlogstechnologie die ook daar relevant is.
Staat de positie van Trump op de tocht?
Kotkin presenteert Trump niet simpelweg als oorzaak van de Amerikaanse herordening. Hij zegt juist dat de herordening eindelijk plaatsvindt onder Trump, nadat eerdere presidenten vooral spraken over “pivot” en “rebalance”. Europese en Aziatische bondgenoten begrijpen dat zij meer moeten doen. Japan verandert wetten, Europa verhoogt defensie-uitgaven, Polen neemt veiligheid buitengewoon serieus. Dat is op zichzelf positief.
Maar de manier waarop Trump die herordening afdwingt, kan volgens Kotkin de grootste Amerikaanse troef beschadigen: het bondgenootschapsnetwerk. Dreigen met Groenland, Canada als “51st state” bespotten, tarieven opleggen aan bondgenoten, wapendeals vertragen en tegelijk achter hun rug met China praten — het kan allemaal druk zetten, maar het kan ook vertrouwen vernietigen. En vertrouwen is in geopolitiek geen versiering; het is afschrikking.
Staat Trumps positie dus op de tocht? In institutionele zin niet automatisch. Kotkin wijst elders juist op het functioneren van Congres, rechterlijke macht en Amerikaanse instituties. Maar politiek en strategisch is zijn positie wel kwetsbaar als de herordening wordt gezien als destructie in plaats van renovatie. Trump kan gelijk hebben dat bondgenoten meer moeten dragen, maar ongelijk in de methode als hij daardoor de alliantie-supermacht zelf ondermijnt.
De Trump-paradox
- Nodig: bondgenoten moeten meer verantwoordelijkheid nemen.
- Gevaar: de VS kunnen hun bondgenoten zo hard duwen dat zij het vertrouwen verliezen.
- Winst: Europa en Japan worden wakker geschud.
- Risico: Amerika beschadigt precies het netwerk dat China niet heeft.
De mythe van Amerikaans verval
Een van de meest verrassende inzichten van Stephen Kotkin is dat het dominante verhaal over Amerikaanse neergang grotendeels gebaseerd is op een verkeerde historische vergelijking. Vrijwel iedere discussie over de positie van de Verenigde Staten begint met de vaststelling dat Amerika ooit sterker was dan vandaag. Dat klopt. Maar volgens Kotkin wordt vervolgens vaak vergeten dat de periode waarmee men vergelijkt een historische uitzondering was.
Tussen 1946 en ongeveer 1960 vertegenwoordigden de Verenigde Staten circa 40 procent van het mondiale BBP en ongeveer de helft van alle industriële productie ter wereld. Europa lag in puin. Japan was verwoest. De Sovjet-Unie was economisch zwaar beschadigd. Amerika was feitelijk de enige grote industriële macht die volledig operationeel uit de Tweede Wereldoorlog kwam.
Dat uitzonderlijke overwicht werd vervolgens gebruikt om een nieuwe wereldorde op te bouwen. Via het Marshallplan, de wederopbouw van Japan, de bescherming van zeewegen, de NAVO en de open wereldhandel hielpen de Verenigde Staten bewust andere economieën opnieuw groeien. Het doel van de Amerikaanse wereldorde was juist dat anderen sterker zouden worden.
Wanneer men verder terugkijkt dan de naoorlogse uitzonderingsperiode ontstaat een totaal ander beeld. Sinds ongeveer 1880 vertegenwoordigen de Verenigde Staten rond de 25 procent van het mondiale BBP, terwijl het land slechts ongeveer 5 procent van de wereldbevolking telt. Volgens Kotkin bestaat er in de moderne geschiedenis geen vergelijkbaar voorbeeld van een macht die gedurende zo'n lange periode een kwart van de wereldeconomie wist te behouden.
Historische ontwikkeling van het aandeel in de wereldeconomie
Deze grafiek visualiseert het centrale argument van Stephen Kotkin. De Verenigde Staten waren na de Tweede Wereldoorlog uitzonderlijk dominant met ongeveer 40 procent van het mondiale BBP. Sindsdien is dat aandeel teruggekeerd naar het historische niveau van circa 25 procent. Europa en Japan daarentegen zagen hun relatieve economische gewicht aanzienlijk afnemen, terwijl China een groot deel van dat verloren aandeel wist over te nemen.
Figuur. Aandeel in het mondiale BBP: Verenigde Staten, Europa, Japan en China.
| Regio | Hoogtepunt | Vandaag | Ontwikkeling |
|---|---|---|---|
| Verenigde Staten | ca. 40% (1946-1960) | ca. 25% | Terug naar historisch gemiddelde |
| Europa + VK | ca. 30-33% | ca. 17% | Sterke relatieve daling |
| Japan | ca. 18% | ca. 4% | Zeer sterke relatieve daling |
| China | ca. 2% | ca. 17% | Historische opkomst |
Voor Europa is de ontwikkeling bijzonder opvallend. Begin jaren negentig vertegenwoordigde Europa nog ongeveer 30 procent van het mondiale BBP. Vandaag is dat volgens Kotkin nog ongeveer 17 procent. Onder de huidige trends zou Europa zelfs richting 10 procent kunnen zakken. De oorzaken zijn bekend: vergrijzing, lage productiviteitsgroei, overregulering, een zwakke technologiesector en het missen van de software-, internet- en AI-revolutie.
Japan vertoont een nog scherpere terugval. Waar Japan begin jaren negentig ongeveer 18 procent van de wereldeconomie vertegenwoordigde, resteert vandaag nog ongeveer 4 procent. Decennia van economische stagnatie, demografische krimp en de opkomst van China hebben het relatieve gewicht van Japan drastisch verminderd.
China vormt het spiegelbeeld van deze ontwikkeling. De spectaculaire Chinese groei kwam niet primair ten koste van de Verenigde Staten, maar vooral ten koste van Europa, Japan en andere ontwikkelde economieën. Ironisch genoeg werd die opkomst mogelijk gemaakt door de Amerikaans geleide wereldorde die China toegang gaf tot markten, technologie, kapitaal en wereldhandel.
Daarmee verandert ook de diagnose van de huidige Amerikaanse problemen. Het fundamentele probleem is niet dat de economische basis van de Verenigde Staten verdwijnt. Het probleem is dat Washington nog steeds probeert een wereldorde te beheren die werd ontworpen toen Amerika 40 procent van de wereldeconomie vertegenwoordigde. De middelen zijn nog steeds enorm, maar de verhouding tussen verplichtingen, bondgenootschappen, militaire doctrine en economische draagkracht is uit balans geraakt.
Juist daarom pleit Kotkin niet voor terugtrekking uit de wereld, maar voor herordening. Bondgenoten moeten meer verantwoordelijkheid nemen. Defensie-uitgaven moeten slimmer worden ingezet. Nieuwe technologie moet sneller worden opgeschaald. En bovenal moeten de Verenigde Staten leren opereren als een duurzame supermacht van 25 procent van het wereld-BBP in plaats van als de tijdelijke hegemon van 40 procent uit de jaren vijftig.
GDP: wie groeit, wie zakt, wie draagt?
De GDP-discussie is bij Kotkin geen boekhoudkundige zijlijn, maar de kern van zijn machtsanalyse. De Verenigde Staten blijven rond een kwart van de wereldeconomie schommelen. Europa en Japan zijn relatief veel sterker gedaald. Europa inclusief het Verenigd Koninkrijk is volgens Kotkin teruggevallen van ongeveer 30 procent begin jaren negentig naar circa 17 procent nu; Japan van ongeveer 18 procent begin jaren negentig naar ongeveer 4 procent. China’s opkomst kwam dus niet primair uit Amerika’s aandeel, maar uit het aandeel van Europa, Japan en andere ontwikkelde economieën.
| Land / blok | Nominaal GDP, indicatie 2026 | Strategische betekenis in Kotkins redenering |
|---|---|---|
| Wereld | ca. $126,3 biljoen | Het speelveld is veel groter dan in 1945; Amerika kan niet alles alleen dragen. |
| Verenigde Staten | ca. $32,4 biljoen | Nog steeds de grootste economie en ongeveer een kwart van de wereldoutput. |
| China | ca. $20,9 biljoen | Grote uitdager, maar zonder Amerikaans bondgenootschaps- en immigratievoordeel. |
| Europese Unie | ca. $23,0 biljoen | Rijk, maar relatief gedaald; mist schaal in software, AI en defensie-industrie. |
| Eurozone | ca. $19,5 biljoen | Economisch zwaar, strategisch vaak traag door fragmentatie en regulering. |
| Japan | ca. $4,4 biljoen | Veel kleiner aandeel dan begin jaren negentig, maar cruciale bondgenoot in Azië. |
| India | ca. $4,2 biljoen | Snel groeiende macht, demografisch groot, maar nog niet in Amerika’s bondgenootschapsstructuur zoals Japan of Europa. |
| Opkomende economieën | ca. $52,5 biljoen | Hun gezamenlijke gewicht groeit; de wereldorde is minder Westers geconcentreerd. |
| Geavanceerde economieën | ca. $73,8 biljoen | Nog altijd rijker als groep, maar hun aandeel daalt naarmate China, India en andere economieën groeien. |
| Latijns-Amerika en Caraïben | ca. $8,0 biljoen | Economisch relevant, maar geen centrale drager van de Amerikaanse veiligheidsorde. |
De oorzaken van die ontwikkeling zijn meervoudig. Europa miste grotendeels de software- en platformrevolutie, reguleerde veel, innoveerde minder op wereldschaal en bleef militair afhankelijk van de Verenigde Staten. Japan kende decennia van stagnatie, vergrijzing en lage groei. China profiteerde van toetreding tot de wereldhandel, industriële schaal, exportdiscipline en de Amerikaanse keuze om veiligheid en handel losser te koppelen na de Koude Oorlog. De Verenigde Staten behielden daarentegen schaal, energie, kapitaalmarkten, universiteiten, Big Tech, AI, defensietechnologie en immigratie.
Wat moet er gebeuren?
Kotkins antwoord is geen simpele oproep tot isolationisme. Hij wil herbalanceren zonder de unieke Amerikaanse troeven te vernietigen. Dat betekent: bondgenoten meer laten dragen, maar hen niet vernederen; de defensie-industrie moderniseren, maar niet alleen dure systemen bouwen; Oekraïense defensie-innovatie benutten; Taiwan vooraf afschrikken in plaats van achteraf improviseren; energiezekerheid en industriepolitiek serieuzer nemen; en opnieuw onderscheid maken tussen economische toegang en veiligheidspolitieke betrouwbaarheid.
Daarnaast moet Amerika intern vernieuwen. Kotkin keert terug naar burgerschap: niet identiteitspolitiek als eindstation, maar het Amerikaanse ideaal van gelijke burgerlijke erkenning, zelfbestuur en institutionele correctie. De Verenigde Staten hebben diepe crises eerder overleefd omdat zij zichzelf konden hervormen. Maar vernieuwing is geen natuurwet. Zij moet worden afgedwongen door burgers, gemeenten, staten, instituties en uiteindelijk nationaal leiderschap.
Conclusie: geen verval, wel gevaar
De conclusie van Kotkins analyse is tegelijk optimistisch en streng. Amerika is niet verslagen. Het is niet structureel armer, kleiner of technologisch voorbijgestreefd op de manier waarop klassieke neergangsverhalen suggereren. Het heeft bondgenoten, immigratiekracht, innovatie, energie, voedsel, kapitaal en militaire ervaring op een schaal die China niet eenvoudig kan kopiëren.
Maar Amerika kan zichzelf wel verzwakken. Het kan bondgenoten van zich vervreemden, munitie verkeerd inzetten, de verkeerde oorlog op het verkeerde moment voeren, zijn publieke sfeer laten vergiftigen en vergeten dat macht pas duurzaam is als zij wordt gedragen door burgers die hun instituties vertrouwen. Amerika kan de wereld nog leiden, maar niet meer zoals in 1946. Het moet leren leiden als een machtige, maar begrensde supermacht: selectiever, industriëler, bondgenootschappelijker en democratisch zelfbewuster.
Puntsgewijze samenvatting — met doopceel
1. Doopceel van Stephen Kotkin en Peter Robinson
- Stephen Kotkin: Amerikaans historicus, gespecialiseerd in Rusland, Stalin, autoritaire regimes en geopolitiek; Kleinheinz Senior Fellow bij de Hoover Institution; senior fellow aan Stanford FSI; emeritus hoogleraar geschiedenis en internationale betrekkingen aan Princeton.
- Opleiding en werk: PhD aan University of California, Berkeley; auteur van onder meer Stalin: Paradoxes of Power en Stalin: Waiting for Hitler; werkt aan het derde deel van zijn Stalin-biografie.
- Peter Robinson: Murdoch Distinguished Policy Fellow bij de Hoover Institution; presentator van Uncommon Knowledge; voormalig speechwriter voor Ronald Reagan en bekend als auteur van de Berlijnse Muur-zin “Mr. Gorbachev, tear down this wall.”
- Gesprekscontext: Robinson stelt vijf geopolitieke vragen; Kotkin verbindt Iran, China, Oekraïne en de Amerikaanse binnenlandse toestand tot één vraag: kan Amerika zijn macht nog verstandig organiseren?
2. Hoofdstelling
Amerika is niet in klassieke neergang, maar het moet zijn wereldwijde verplichtingen opnieuw in balans brengen met zijn werkelijke doctrine, munitievoorraden, industriële capaciteit en bondgenootschappelijke geloofwaardigheid.
3. Wat ging er mis met Amerika?
- Te veel wereldwijde verplichtingen voor een doctrine die nog maar één grote oorlog tegelijk aankan.
- Te weinig goedkope, massaal produceerbare moderne wapensystemen.
- Verbruik van schaarse munitie in het Midden-Oosten terwijl Taiwan-afschrikking voorraden vereist.
- Verzwakking van bondgenootschappen door harde, soms vernederende druk.
- Een publieke sfeer die extremen beloont en het burgerlijke midden verzwakt.
4. Iran
Israël kan tevreden zijn met het tijdelijk degraderen van Iraanse capaciteiten. Voor Amerika is dat onvoldoende: Washington heeft een strategie nodig die het regime dwingt zijn eigen mislukking en illegitimiteit onder ogen te zien.
5. Misdaden tegen de eigen bevolking van regimes geven een zekere legitimiteit aan de aanvallen van de VS
In het interview gaat Kotkin scherp in op de manier waarop autoritaire en ideologische regimes met hun eigen bevolking omgaan. Zijn punt is dat zulke regimes niet alleen een kleine politieke top zijn, maar ook een hele machtsstructuur: veiligheidsdiensten, paramilitaire organisaties, ideologische loyalisten, carrièrezoekers en groepen die via repressie sociale stijging bereiken. Daarom is het naïef om te denken dat zo'n regime vanzelf als een normale onderhandelingspartner aan tafel schuift.
Daaruit ontstaat een moreel argument dat vaak wordt gebruikt ter verdediging van Amerikaanse aanvallen op regimes zoals dat van Iran: wie zijn eigen bevolking onderdrukt, arresteert, beschiet, martelt of economisch ruïneert, verliest een deel van zijn morele aanspraak op bescherming achter het schild van soevereiniteit. In die redenering krijgen aanvallen van buitenaf een zekere politieke of humanitaire legitimiteit, omdat zij worden gepresenteerd als druk op een regime dat zijn eigen bevolking gijzelt.
Maar precies hier ontstaat de grote juridische spanning. Het Handvest van de Verenigde Naties vertrekt niet vanuit de vraag of een regime sympathiek is, maar vanuit het verbod op oorlog tussen staten. Artikel 2(4) bepaalt dat staten zich in hun internationale betrekkingen moeten onthouden van dreiging met of gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere staat. Dat uitgangspunt is juist bedoeld om te voorkomen dat machtige landen op eigen gezag bepalen welk regime nog recht heeft op bescherming.
De kern is dus dubbel. Moreel kan ernstige onderdrukking van de eigen bevolking de roep om ingrijpen begrijpelijker maken. Politiek kan het een zekere legitimiteit geven aan druk, sancties, steun aan oppositie of zelfs militaire actie. Juridisch is dat echter veel lastiger: zonder mandaat van de Veiligheidsraad of een beroep op zelfverdediging blijft militair geweld tegen een andere staat op gespannen voet staan met het VN-Handvest. Dat maakt de Amerikaanse positie dubbelzinnig: begrijpelijk vanuit afkeer van repressieve regimes, maar gevaarlijk wanneer het beginsel van soevereiniteit selectief wordt toegepast.
- Kotkins analyse: het Iraanse regime heeft volgens hem zijn eigen bevolking gefaald en moet met zijn eigen illegitimiteit worden geconfronteerd.
- Morele redenering: zware repressie kan de politieke legitimiteit van buitenlandse druk vergroten.
- Juridische rem: artikel 2(4) van het VN-Handvest verbiedt juist geweld tegen territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid.
- Risico: als iedere grootmacht zelf bepaalt welk regime illegitiem is, verdwijnt het verbod op aanvalsoorlogen in de praktijk.
- Conclusie: misdaden tegen de eigen bevolking kunnen het motief voor ingrijpen begrijpelijk maken, maar ze heffen het geweldsverbod van het internationale recht niet automatisch op.
Historische voorbeelden: drie categorieën van interventies
De discussie over aanvallen op andere staten wordt vaak vertroebeld doordat verschillende motieven door elkaar lopen. In de praktijk worden militaire interventies meestal gerechtvaardigd vanuit drie verschillende denkkaders: humanitaire bescherming, nationale veiligheid en geopolitieke belangen. Elk van deze categorieën kent voorstanders én critici.
1. Interventies verdedigd met humanitaire argumenten
In deze categorie staat het lot van de bevolking centraal. Voorstanders stellen dat wanneer een regime op grote schaal zijn eigen burgers onderdrukt, vermoordt of etnisch zuivert, de internationale gemeenschap een morele verantwoordelijkheid heeft om in te grijpen.
- Kosovo (1999) – De NAVO voerde luchtaanvallen uit tegen Servië om verdere etnische zuiveringen van Kosovaren te voorkomen.
- Libië (2011) – Onder verwijzing naar VN-resolutie 1973 werd militair ingegrepen om burgers in Benghazi te beschermen tegen een dreigend offensief van het regime van Muammar Gaddafi.
- Responsibility to Protect (R2P) – Een internationaal beginsel dat stelt dat staten hun bevolking moeten beschermen tegen genocide, oorlogsmisdaden, etnische zuivering en misdaden tegen de menselijkheid. Wanneer zij daarin falen, zou de internationale gemeenschap een verantwoordelijkheid kunnen hebben om op te treden.
Critici wijzen erop dat humanitaire argumenten soms selectief worden toegepast. Niet iedere humanitaire crisis leidt immers tot een militaire interventie. Daardoor ontstaat de vraag of humanitaire motieven altijd de werkelijke drijfveer zijn.
2. Interventies verdedigd met veiligheidsargumenten
Een tweede categorie betreft militaire acties die worden gerechtvaardigd vanuit zelfverdediging of het voorkomen van toekomstige dreigingen. Staten stellen daarbij dat een tegenstander een directe of indirecte bedreiging vormt voor hun veiligheid.
- Afghanistan (2001) – Na de aanslagen van 11 september beriepen de Verenigde Staten zich op het recht op zelfverdediging tegen Al Qaida en de Taliban die onderdak boden aan de organisatie.
- Irak (2003) – De Amerikaanse regering stelde dat Irak beschikte over massavernietigingswapens en een veiligheidsrisico vormde. Deze wapens werden later niet aangetroffen, waardoor de legitimiteit van de oorlog zwaar werd betwist.
- Israëlische aanvallen op regionale tegenstanders – Israël heeft herhaaldelijk betoogd dat het recht heeft preventief op te treden tegen actoren die een existentiële bedreiging vormen voor zijn voortbestaan.
Tegenstanders vrezen dat een ruime interpretatie van zelfverdediging kan leiden tot preventieve oorlogen op basis van vermoedens in plaats van daadwerkelijke aanvallen.
3. Interventies gedreven door geopolitieke en strategische belangen
Naast humanitaire en veiligheidsargumenten spelen vaak ook economische, strategische en geopolitieke belangen een rol. In de internationale politiek lopen idealen en belangen vrijwel altijd door elkaar heen.
- Invloedssferen – Grootmachten proberen vaak te voorkomen dat rivalen dominante invloed krijgen in strategisch belangrijke regio's.
- Energievoorziening – Stabiliteit rond belangrijke olie- en gasroutes kan een factor zijn in militaire besluitvorming.
- Bondgenootschappen – Staten kunnen optreden om bondgenoten te beschermen of hun geloofwaardigheid als veiligheidsgarant te behouden.
Realistische denkers zoals Stephen Kotkin benadrukken dat staten zelden uitsluitend uit idealisme handelen. Achter vrijwel iedere interventie liggen volgens hen ook machtspolitieke overwegingen.
De juridische spanning met het VN-Handvest
Hier ontstaat de fundamentele spanning binnen het internationale systeem. Enerzijds kunnen er sterke morele argumenten bestaan om een bevolking te beschermen tegen onderdrukking, massaal geweld of ernstige mensenrechtenschendingen. Anderzijds bepaalt artikel 2(4) van het Handvest van de Verenigde Naties dat staten geen geweld mogen gebruiken tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van andere staten.
Daardoor kunnen militaire acties tegelijkertijd als moreel gerechtvaardigd én juridisch omstreden worden beschouwd. Voorstanders benadrukken het voorkomen van menselijk leed; tegenstanders waarschuwen dat uitzonderingen op het geweldsverbod de internationale rechtsorde kunnen ondermijnen en door grootmachten kunnen worden misbruikt voor eigen strategische doeleinden.
De centrale vraag blijft daarom actueel: wanneer weegt het beschermen van mensen zwaarder dan het respecteren van staatssoevereiniteit? Over dat vraagstuk bestaat tot op de dag van vandaag geen internationale consensus.
6. China en Taiwan
Kotkin wil niet speculeren over Xi’s exacte intenties, maar wijst op zichtbare capaciteiten. China wil Taiwan liefst zonder oorlog, maar bouwt de militaire optie uit. Afschrikking vereist voorraden, Japanse capaciteit, bondgenootschappelijke zekerheid en goedkope precisie-massa.
7. Oekraïne
Oekraïne verloor territorium maar behield soevereiniteit. Kotkin wil de strijd langs de contactlijn stoppen zonder annexatie te erkennen, zodat Oekraïne kan worden opgebouwd als een Zuid-Korea of Polen: vrij, welvarend, technologisch en Westers geïntegreerd.
8. Staat Trumps positie op de tocht?
Niet noodzakelijk institutioneel, maar wel strategisch-politiek. Trump versnelt een noodzakelijke herverdeling van lasten, maar kan door zijn methode de alliantie-supermacht beschadigen. Zijn risico is dat renovatie wordt ervaren als afbraak.
9. GDP en machtsverschuiving
- De VS blijven uitzonderlijk sterk: rond een kwart van de wereldeconomie.
- Europa daalde volgens Kotkin van circa 30 procent begin jaren negentig naar circa 17 procent nu.
- Japan daalde van circa 18 procent begin jaren negentig naar circa 4 procent.
- China groeide vooral ten koste van Europa, Japan en andere ontwikkelde economieën, mede door globalisering en WTO-integratie.
- De Amerikaanse fout was niet het laten groeien van bondgenoten, maar het niet aanpassen van verplichtingen en spelregels aan de nieuwe machtsverhoudingen.
10. Wat moet er gebeuren?
- Bondgenoten meer laten dragen, zonder het vertrouwen te vernietigen.
- Defensie-industrie richten op goedkope, schaalbare, snel aanpasbare systemen.
- Oekraïense innovatie gebruiken als strategische asset.
- Taiwan vooraf afschrikken met voorraden en regionale capaciteit.
- Economische toegang opnieuw koppelen aan veiligheidspolitieke betrouwbaarheid.
- Amerikaans burgerschap, instituties en het publieke midden herstellen.
11. Eindconclusie
Amerika kan nog leiden, maar alleen als het ophoudt zichzelf te saboteren. De VS moeten niet terug naar 1946, maar vooruit naar een realistischer vorm van leiderschap: selectief, industrieel sterk, bondgenootschappelijk betrouwbaar en democratisch vernieuwd.
Bronnen en context: Essay gebaseerd op de aangeleverde transcriptie van Five More Questions with Stephen Kotkin: Can America Still Lead The World, aangevuld met actuele IMF GDP-ordes van grootte en publieke biografische gegevens van Hoover Institution.