Iran kan de oorlog overleven, maar de vrede verliezen
Meir Javedanfar betoogt dat de Islamitische Republiek Iran militair misschien niet hoeft te winnen om te blijven bestaan. Maar juist na de oorlog kan de werkelijke nederlaag beginnen: economische verwoesting, internationale isolatie, binnenlandse woede en een regime dat zijn anti-Israëlpolitiek niet kan of wil loslaten.
De paradox in Javedanfars analyse is scherp: Iran hoeft de oorlog niet te winnen om zichzelf als winnaar uit te roepen. Voor een regime dat overleven als overwinning definieert, is blijven staan al propaganda. De leiding kan zeggen: Amerika en Israël hebben ons aangevallen, wij zijn niet gevallen, dus wij hebben gewonnen.
Maar daarmee begint volgens Javedanfar pas het echte probleem. Een regime kan de oorlog overleven en toch de vrede verliezen. Want na het zwijgen van de wapens komen de rekeningen: kapotte infrastructuur, verloren banen, ingestorte export, sancties, vluchtend kapitaal, internetblokkades, woede van burgers en een economie die nauwelijks nog zuurstof krijgt. In oorlog kan een regime zich verschuilen achter vlag, vijand en noodtoestand. In vrede vraagt de bevolking weer om brood, werk, vrijheid en toekomst.
Overleven is niet hetzelfde als winnen
Het uitgangspunt van Javedanfar is dat Iran niet dezelfde doelstelling heeft als de Verenigde Staten. Amerika moet in een oorlog vaak aantonen dat het iets heeft bereikt: een vernietigd doelwit, een opgelegd akkoord, een afgedwongen concessie of een politiek resultaat. Iran hoeft dat in de eigen retoriek niet. Het hoeft alleen maar te blijven bestaan.
Dat maakt de Iraanse positie ogenschijnlijk taai. Het regime kan bombardementen, sancties en internationale druk framen als bewijs van zijn revolutionaire gelijk. De boodschap aan de eigen achterban is eenvoudig: de vijand wilde ons breken, maar wij zijn er nog.
Daar ligt de kern van het essay. Javedanfar waarschuwt dat Iran opnieuw dezelfde fout kan maken als in de jaren tachtig: de oorlog overleven, maar na afloop ontdekken dat de prijs zo hoog is dat de stabiliteit van het regime juist in vredestijd wordt bedreigd.
De historische spiegel: de oorlog tegen Irak
Javedanfar gebruikt de Iran-Irakoorlog van 1980 tot 1988 als historische spiegel. Ook toen sprak Iran in termen van verzet, opoffering en volharding. Ook toen moest de bevolking enorme offers brengen. En ook toen werd het voortbestaan van het regime voorgesteld als bewijs van overwinning.
Maar de werkelijke balans na acht jaar oorlog was vernietigend. Grote steden en havens, waaronder Abadan en Khorramshahr, lagen zwaar beschadigd of in puin. De energiesector was zwaar getroffen. Volgens een CIA-beoordeling kort na de oorlog was de Iraanse olieproductiecapaciteit gedaald tot ongeveer 3 miljoen vaten per dag, ongeveer de helft van het niveau van tien jaar eerder.
Ook militair was Iran uitgeput. Irak beschikte over betere wapens en kreeg steun van buitenaf, terwijl Iran te maken had met wapensancties van zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie. De economie kampte met gebrek aan deviezen en een inflatie van 28 procent, destijds het hoogste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog.
Met andere woorden: Iran had de oorlog niet verloren in de simpele zin dat het regime viel. Maar het land was economisch, militair en maatschappelijk uitgeput. Dat onderscheid is precies wat Javedanfar nu opnieuw centraal stelt.
De gevaarlijke fout: het conflict internationaliseren
Een van de belangrijkste argumenten in de analyse is dat Iran niet alleen strijdt tegen directe vijanden, maar het conflict steeds breder maakt. Tijdens de Iran-Irakoorlog gebeurde dat in de zogenoemde tankeroorlog. Iran viel tankers aan in de Perzische Golf, waardoor niet alleen Irak maar ook Golfstaten, de Verenigde Staten, Europese landen en zelfs de Sovjet-Unie direct of indirect werden geraakt.
Die internationalisering had desastreuze gevolgen. Koeweit en andere Golfstaten vroegen Amerikaanse bescherming. Amerikaanse oorlogsschepen gingen tankers escorteren. Europese landen werden economisch geraakt en namen een vijandiger houding tegenover Iran aan. Zelfs Moskou was boos, omdat de Iraanse aanvallen de Verenigde Staten een excuus gaven om hun militaire aanwezigheid in de Perzische Golf uit te breiden.
Volgens Javedanfar leidde deze verbreding ertoe dat steeds meer landen Iran economisch en militair gingen afknellen. De internationale druk werd uiteindelijk zo zwaar dat Ayatollah Khomeini in juli 1988 VN-resolutie 598 moest accepteren. Hij noemde dat besluit “het drinken van een gifbeker”.
Hormuz: machtig wapen, gevaarlijke boemerang
Volgens Javedanfar herhaalt Iran nu dezelfde fout. In plaats van zich uitsluitend te richten op Israël en de Verenigde Staten, heeft Iran het conflict verbreed door de Straat van Hormuz te sluiten en door Golfstaten aan te vallen of te bedreigen. Daarmee verandert Iran de oorlog van een militair conflict met twee vijanden in een bedreiging voor de wereldeconomie.
De Straat van Hormuz is strategisch zo belangrijk dat geen enkel getroffen land langdurig zal accepteren dat Iran deze route blijft controleren of blokkeren. Niet alleen de Verenigde Staten en Golfstaten hebben daar belang bij. Ook Europa wordt geraakt. En zelfs China, dat vaak als bondgenoot of economische levenslijn van Iran wordt gezien, heeft belang bij open vaarroutes en energiezekerheid.
Daarom is Hormuz tegelijk een Iraanse troef en een boemerang. Iran kan ermee dreigen en tijdelijk schade veroorzaken. Maar zodra het de wereldhandel ontwricht, bouwt het een brede coalitie tegen zichzelf. Dan verschuift de vraag van “wat willen Amerika en Israël?” naar “hoe stoppen we Iran als bedreiging voor de mondiale economie?”
De binnenlandse factor is nu explosiever dan in 1988
Een cruciaal verschil met 1988 is de toestand van de Iraanse samenleving. Javedanfar stelt dat een zeer groot deel van de Iraanse bevolking het regime weg wil hebben. De bereidheid om jarenlang armoede, wederopbouw, inflatie en isolement te verdragen is veel kleiner dan na de oorlog tegen Irak.
Dat maakt de periode na de oorlog gevaarlijk voor de machthebbers. Tijdens de oorlog kan repressie worden gelegitimeerd met het argument van nationale veiligheid. Maar na de oorlog komt de vraag terug: wie betaalt de rekening? Als de bevolking werk verliest, spaargeld ziet verdampen en jarenlang moet wachten op herstel, kan de woede omslaan in stakingen, protesten en mogelijk destabilisatie van het regime.
Javedanfar noemt zelfs het risico dat het regime op termijn moeite krijgt om de salarissen van lagere rangen in veiligheidsdiensten te betalen. Dat is belangrijk. Autoritaire regimes vallen zelden alleen door morele kritiek. Ze worden kwetsbaar wanneer de apparaten die hen beschermen niet langer zeker zijn van betaling, status of toekomst.
De economische schade is enorm
Volgens berichten uit Iran heeft het conflict geleid tot miljoenen verloren banen. Javedanfar noemt drie miljoen banen: één miljoen direct door de oorlog en twee miljoen indirect. Ook zouden tien miljoen Iraniërs economische schade hebben geleden door het verstoren, filteren en blokkeren van internet.
De Iraanse regering heeft zelf gesproken over ongeveer 270 miljard dollar directe economische schade na veertig dagen conflict. Javedanfar merkt terecht op dat dit bedrag mogelijk overdreven is, omdat Iran schadevergoeding van de Verenigde Staten als voorwaarde voor een staakt-het-vuren kan willen gebruiken. Maar zelfs wanneer slechts een kwart van dat bedrag klopt, blijft ongeveer 67 miljard dollar aan directe schade over.
Die vergelijking is vernietigend. De achtjarige oorlog tegen Irak veroorzaakte ongeveer 100 miljard dollar directe schade. Als veertig dagen oorlog nu al in de buurt komen van tientallen miljarden schade, is de economische druk immens.
De economische kerncijfers in Javedanfars redenering
- Iran-Irakoorlog: ongeveer 100 miljard dollar directe schade.
- Huidig conflict: Iraanse claim van ongeveer 270 miljard dollar directe schade na veertig dagen.
- Voorzichtige schatting: zelfs een kwart daarvan is nog ongeveer 67 miljard dollar.
- Exportinkomsten: rond 45 miljard dollar in het voorgaande jaar.
- Banenverlies: volgens berichten drie miljoen banen direct en indirect geraakt.
- Internetverstoring: miljoenen Iraniërs lijden economische schade door filtering en blokkades.
Repareren wordt moeilijker dan vernietigen
De tweede economische dreiging is dat Iran nauwelijks genoeg geld kan verdienen om de schade te herstellen. Het land had het jaar ervoor ongeveer 45 miljard dollar exportinkomsten. Door blokkades, sancties en schade aan industrieën kan dat bedrag dalen. De Verenigde Staten hebben bovendien sancties gericht op de laatste Chinese raffinaderijen die nog risico namen met Iraanse olie.
Daarbovenop zijn twee belangrijke niet-olie-industrieën zwaar getroffen: petrochemie en staal. Dat is ernstig, omdat Iran voor herstel niet alleen olie-inkomsten nodig heeft, maar ook industriële productie, deviezen, toegang tot technologie en buitenlandse investeringen.
Na de Iran-Irakoorlog duurde het ongeveer tien jaar om de schade te herstellen. Deze keer kan het langer duren. Niet alleen omdat de schade groot is, maar omdat Iran veel sterker geïntegreerd is in sanctiedruk, digitale afhankelijkheid, kapitaalvlucht en wereldwijde financiële blokkades.
Zelfs een nucleair akkoord is niet genoeg
Het beste scenario voor Iran zou volgens Javedanfar een akkoord zijn met president Trump waarbij nucleaire sancties worden opgeheven. Maar zelfs dan is economisch herstel onzeker. De reden is eenvoudig: veel sancties tegen Iran hebben niet alleen met het nucleaire programma te maken, maar ook met steun aan gewapende groepen, terreurorganisaties en anti-Israëlische proxies.
Iran kan dus een nucleair akkoord sluiten en toch economisch geïsoleerd blijven. Dat is de structurele val waarin het regime volgens Javedanfar zit. Het wil buitenlandse investeringen, technologie en olie-inkomsten. Maar het wil tegelijk vasthouden aan een revolutionaire identiteit waarin vijandschap tegen Israël en steun aan regionale bondgenoten centraal staan.
Rafsanjani begreep het probleem, Khamenei blokkeerde het
Javedanfar grijpt terug op de periode na 1988. Iran had toen dringend buitenlandse investeringen nodig om oorlogsschade te herstellen. President Rafsanjani leek dat te begrijpen. Toen Yasser Arafat bereid was deel te nemen aan de vredesbesprekingen met Israël in Madrid in 1991, zei Rafsanjani dat Iran elke overeenkomst zou accepteren waarmee de PLO instemde.
Dat was geen plotselinge liefde voor Israël. Het was economische noodzaak. Iran kon geen buitenlandse investeringen aantrekken als het tegelijk bleef oproepen tot de vernietiging van Israël en iedereen veroordeelde die vrede wilde sluiten.
Maar Ayatollah Khamenei overrulede Rafsanjani. Kort voor de Madrid-conferentie vond in Teheran een anti-vredesconferentie plaats. De bijeenkomst steunde verzet tegen onderhandelingen met Israël en bracht vertegenwoordigers van Hamas, Palestijnse Islamitische Jihad, Hezbollah en andere radicale organisaties samen. Daarmee koos Iran opnieuw voor revolutionaire confrontatie boven economische normalisatie.
Oslo, Hamas en de sanctieval van 1996
Na het begin van het Oslo-vredesproces voerden Hamas en Palestijnse Islamitische Jihad talrijke zelfmoordaanslagen uit, met Iraanse steun. Voor de regering-Clinton was Oslo een belangrijk buitenlands-politiek project. De Iraanse pogingen om het proces te ondermijnen maakten Washington woedend.
In 1996 nam de regering-Clinton de Iran and Libya Sanctions Act aan. Deze wet beperkte internationale investeringen in de Iraanse olie- en gasindustrie tot maximaal 20 miljoen dollar per jaar. Dat kostte Iran miljarden aan potentiële inkomsten, precies in een periode waarin het land investeringen, technologie en apparatuur nodig had om de energiesector te herstellen.
Hierin ziet Javedanfar een terugkerend patroon: Iran offert economische wederopbouw op aan zijn anti-Israëlbeleid. Het land krijgt kansen op herstel, maar ondermijnt die kansen door ideologische confrontatie en steun aan gewapende bondgenoten.
De JCPOA: opnieuw een gemiste kans
De nucleaire deal van 2015, de Joint Comprehensive Plan of Action, had Iran een nieuwe kans moeten geven. Vanaf januari 2016 werden nucleaire sancties opgeheven. Die sancties hadden Iran naar schatting minstens 160 miljard dollar aan verloren olie-inkomsten gekost. Iran had dringend buitenlandse investeringen nodig en hoopte op een economische doorbraak.
Maar ook deze kans werd volgens Javedanfar ondermijnd door de anti-Israëlpolitiek van het regime. In maart 2016 testte Iran raketten met een Hebreeuwse tekst waarin werd gesteld dat Israël van de kaart moest worden geveegd. Tegelijkertijd benadrukten Iraanse militaire functionarissen dat de raketten Israël konden bereiken.
Na de JCPOA verhoogde Iran ook zijn steun aan anti-Israëlische proxies in de regio, onder meer via de Revolutionaire Garde en sjiitische milities in Syrië. Voor buitenlandse bedrijven was dat een alarmsignaal. Zij vreesden dat Iran opnieuw gesanctioneerd zou worden. Daardoor bleef de verwachte investeringsgolf uit.
Volgens Javedanfar werd tussen januari 2016 en de Amerikaanse terugtrekking uit de JCPOA in mei 2018 slechts ongeveer 2 miljard dollar geïnvesteerd. Dat was een schijntje vergeleken met de 85 miljard dollar waarop Iran volgens oud-minister Zarif hoopte.
Zonder akkoord dreigt hyperinflatie
Als de huidige oorlog eindigt zonder akkoord over sanctieverlichting, verwacht Javedanfar dat Iran binnen een jaar te maken kan krijgen met hyperinflatie en een hoge kans op binnenlandse onrust. Dat is niet alleen een economisch probleem, maar een politiek stabiliteitsprobleem.
Hyperinflatie vernietigt spaargeld, lonen, pensioenen en vertrouwen. Het raakt niet alleen tegenstanders van het regime, maar ook ambtenaren, lagere veiligheidsfunctionarissen, kleine ondernemers en gewone gezinnen. Juist die brede aantasting maakt het gevaarlijk voor de machthebbers.
Zelfs mét akkoord blijft het risico bestaan. Het verschil is vooral timing. Met sanctieverlichting kan de crisis worden vertraagd, maar niet opgelost zolang Iran vasthoudt aan beleid dat investeerders, handelspartners en financiële instellingen afschrikt.
De vijandschap tegen Israël is ook een verdienmodel
Een belangrijk en scherp punt in Javedanfars analyse is dat de anti-Israëlpolitiek niet alleen ideologisch is. Zij dient ook de belangen van regime-gelieerde ondernemingen. Door sancties en isolatie ontstaan binnenlandse monopolies. Bedrijven die dicht bij de macht staan, kunnen markten afschermen, import controleren en consumenten dwingen dure en vaak slechte producten te kopen.
Javedanfar noemt de Iraanse auto-industrie als voorbeeld. Twee grote bedrijven, Iran Khodro en SAIPA, domineren de markt en zijn verbonden met regime-gelieerde organisaties. Door gebrek aan buitenlandse concurrentie kunnen zij auto's van lage kwaliteit tegen hoge prijzen verkopen. Iraniërs hebben sommige modellen spottend “aquaria” genoemd, omdat ze bij ongelukken gemakkelijk zouden versplinteren.
Ook importmonopolies leveren enorme winsten op. Een geïmporteerde Porsche Macan kan in Iran volgens het aangehaalde voorbeeld 2.000 procent duurder zijn dan in de Verenigde Arabische Emiraten. Zulke prijsverschillen zijn alleen mogelijk in een economie waarin toegang, vergunningen, sancties en politieke bescherming samen een verdienmodel vormen.
Waarom normalisatie bedreigend is voor de elite
Zelfs als sancties worden opgeheven, kunnen regime-gelieerde bedrijven buitenlandse investeringen saboteren. Buitenlandse concurrentie bedreigt hun marktaandeel, winsten en politieke macht. Daarom kan voortdurende confrontatie nuttig zijn voor deze groepen. Zij kunnen zich beroepen op nationale veiligheid, anti-Israëlische strijd en revolutionaire waakzaamheid om concurrentie buiten de deur te houden.
Daarmee ontstaat een pervers mechanisme. De bevolking heeft normalisatie nodig om goedkoper, veiliger en beter te kunnen leven. Maar delen van de elite hebben isolatie nodig om hun monopolies te behouden. De officiële ideologie en het economische eigenbelang versterken elkaar.
De uiteindelijke nederlaag ligt in de vrede
Javedanfars conclusie is hard. Iran heeft in eerdere post-conflictperioden herhaaldelijk nagelaten om de economie te openen, buitenlandse investeringen te benutten en het leven van burgers duurzaam te verbeteren. Steeds opnieuw kreeg ideologische confrontatie voorrang boven herstel.
Dat maakt de huidige situatie gevaarlijker dan eerdere crises. De kosten van de oorlog zijn hoog. De bevolking is minder geduldig. De economie is kwetsbaar. De wederopbouw vraagt geld dat Iran nauwelijks kan verdienen. En de politieke koers die investeringen blokkeert, is tegelijk een pijler van de identiteit en de belangenstructuur van het regime.
Iran kan dus de oorlog overleven. Het kan zelfs triomfantelijk verklaren dat het niet is gebroken. Maar als de bevolking daarna jaren van inflatie, werkloosheid, armoede, corruptie en isolement moet dragen, kan de echte nederlaag volgen. Niet op het slagveld, maar in fabrieken, winkels, huishoudens, universiteiten, stakingen en straten.
Dat is de waarschuwing van Javedanfar: een regime dat overleven verwart met winnen, kan ontdekken dat de vrede gevaarlijker is dan de oorlog.
Grondige samenvatting — met doopceel
1. Doopceel van Meir Javedanfar
- Naam: Meir Javedanfar.
- Achtergrond: Iraans-Israëlische Midden-Oostenanalist en commentator, gespecialiseerd in Iran, Israël, regionale veiligheid en de binnenlandse dynamiek van de Islamitische Republiek.
- Expertise: Iraanse politiek, sancties, regionale machtsverhoudingen, Israël-Iranrelaties, de rol van de Revolutionaire Garde en de economische kwetsbaarheid van Iran.
- Kern van deze analyse: Iran kan militair of politiek de oorlog overleven, maar economisch en maatschappelijk alsnog verliezen zodra de vrede begint.
- Belangrijkste methode: toegepaste geschiedenis. Javedanfar vergelijkt het huidige conflict met de nasleep van de Iran-Irakoorlog, de tankeroorlog, de Madrid- en Oslo-periode, de sancties van 1996 en de gemiste kansen na de JCPOA.
2. Hoofdstelling
Iran hoeft volgens zijn eigen regime-logica de oorlog niet te winnen. Overleven kan al als overwinning worden verkocht. Maar die overwinning kan schijn zijn. Na de oorlog moet Iran herstellen, betalen, importeren, investeren, banen creëren en de bevolking tevreden houden. Juist daar kan het regime verliezen.
3. De historische les van 1980-1988
- Iran overleefde de oorlog tegen Irak, maar kwam economisch en militair uitgeput uit het conflict.
- Steden als Abadan en Khorramshahr lagen zwaar beschadigd.
- De olieproductiecapaciteit was ongeveer gehalveerd ten opzichte van tien jaar eerder.
- De inflatie liep op tot 28 procent.
- De wederopbouw duurde ongeveer tien jaar.
- De les: het regime bleef bestaan, maar het land betaalde een verwoestende prijs.
4. De fout van internationalisering
In de jaren tachtig maakte Iran van de oorlog tegen Irak een breder internationaal probleem door tankers in de Perzische Golf aan te vallen. Daardoor werden Golfstaten, de Verenigde Staten, Europa en zelfs de Sovjet-Unie geraakt. Het gevolg was meer militaire druk, meer economische afknelling en meer steun voor Irak.
Volgens Javedanfar herhaalt Iran deze fout nu door de Straat van Hormuz te sluiten en Golfstaten aan te vallen of te bedreigen. Daarmee creëert Iran een coalitie tegen zichzelf.
5. Waarom Hormuz een boemerang kan worden
- Hormuz is cruciaal voor olie, gas, handel en energiezekerheid.
- Iran kan met afsluiting tijdelijk enorme druk uitoefenen.
- Maar geen enkel getroffen land zal langdurig accepteren dat Iran deze route controleert.
- Ook China heeft belang bij open vaarroutes en snelle heropening.
- De afsluiting kan Iran dus diplomatiek isoleren en militair verder onder druk zetten.
6. Binnenlandse druk is nu gevaarlijker
Volgens Javedanfar is de Iraanse bevolking veel minder bereid dan in 1988 om de kosten van oorlog en wederopbouw te dragen. De kans op stakingen, protesten en economische onrust is daardoor veel groter. Een regime dat de oorlog overleeft, kan alsnog worden bedreigd door sociale ontwrichting.
7. De economische schade
- Volgens Iraanse berichten zijn miljoenen banen direct en indirect geraakt.
- Internetblokkades en filtering hebben miljoenen Iraniërs economisch beschadigd.
- Iran claimt ongeveer 270 miljard dollar directe schade na veertig dagen conflict.
- Zelfs wanneer slechts een kwart daarvan klopt, blijft circa 67 miljard dollar schade over.
- Dat is enorm vergeleken met circa 100 miljard dollar directe schade door acht jaar oorlog tegen Irak.
8. Waarom herstel zo moeilijk wordt
Iran heeft exportinkomsten nodig om oorlogsschade te herstellen, maar juist die inkomsten staan onder druk. Olie-export wordt geraakt door sancties en blokkades. Petrochemie en staal, twee belangrijke niet-olie-industrieën, zijn beschadigd. Buitenlandse investeringen blijven onzeker zolang Iran sanctierisico's oproept.
9. Een nucleair akkoord lost niet alles op
Zelfs als nucleaire sancties worden opgeheven, blijven andere sancties mogelijk bestaan vanwege Iraanse steun aan gewapende groepen en anti-Israëlische proxies. Daarom kan Iran formeel een deal sluiten en toch economisch geïsoleerd blijven.
10. Rafsanjani versus Khamenei
Na de Iran-Irakoorlog begreep president Rafsanjani dat Iran buitenlandse investeringen nodig had. Hij leek bereid de PLO-lijn tegenover Israël te accepteren als dat economische ruimte opleverde. Khamenei blokkeerde deze pragmatische koers en steunde een anti-vredesconferentie in Teheran. Daarmee koos Iran opnieuw voor confrontatie boven herstel.
11. Oslo en de sancties van 1996
Iran steunde Hamas en Palestijnse Islamitische Jihad terwijl de Verenigde Staten het Oslo-vredesproces probeerden te ondersteunen. De Clinton-regering reageerde met de Iran and Libya Sanctions Act van 1996. Die beperkte investeringen in Iraanse olie en gas en beroofde Iran van miljarden aan potentiële inkomsten.
12. De JCPOA als gemiste kans
- De nucleaire deal van 2015 had Iran economische verlichting kunnen geven.
- Nucleaire sancties werden vanaf januari 2016 opgeheven.
- Iran hoopte volgens Zarif op ongeveer 85 miljard dollar aan investeringen.
- In werkelijkheid kwam er slechts ongeveer 2 miljard dollar binnen voor de Amerikaanse terugtrekking in 2018.
- Rakettesten, anti-Israëlische retoriek en steun aan proxies joegen investeerders weg.
13. De anti-Israëlpolitiek als economisch verdienmodel
Javedanfar benadrukt dat vijandschap tegen Israël niet alleen ideologisch is. Sancties en isolatie beschermen regime-gelieerde bedrijven tegen buitenlandse concurrentie. Daardoor kunnen binnenlandse monopolies hoge prijzen vragen en slechte producten verkopen.
- Iran Khodro en SAIPA domineren de Iraanse automarkt.
- Auto's zijn duur en volgens critici vaak van lage kwaliteit.
- Importmonopolies maken buitenlandse producten extreem duur.
- Een Porsche Macan kan in Iran volgens het voorbeeld 2.000 procent duurder zijn dan in de VAE.
14. Waarom de elite normalisatie kan saboteren
Wanneer sancties verdwijnen en buitenlandse bedrijven terugkeren, verliezen regime-gelieerde ondernemingen hun beschermde markten. Daarom kunnen zij belang hebben bij voortdurende confrontatie. Anti-Israëlpolitiek wordt dan niet alleen een ideologische keuze, maar ook een methode om concurrentie buiten de deur te houden.
15. Eindconclusie
Iran kan de huidige oorlog overleven en zichzelf tot winnaar uitroepen. Maar als het land daarna kampt met inflatie, werkloosheid, kapotte industrie, lage export, sancties en woedende burgers, kan de vrede gevaarlijker worden dan de oorlog. Javedanfars centrale waarschuwing is daarom: overleven is geen strategie voor herstel.